Dagboek van een visserman - Henk Buitjes - Week 50 - 2025

maandag, 15 december 2025 (09:10) - Visserijnieuws.nl

In dit artikel:

In november maakte schipper Henk Buitjes met zijn vrouw een korte reis naar Dublin om de Autumn-internationale tussen Ierland en Zuid-Afrika bij te wonen, nadat kaartbemiddeling via kennissen kort voor de wedstrijd alsnog succes had. Tegelijkertijd regelde hij vervanging aan boord van zijn kotter ZK 37: Willem Koorn nam via de opstappersapp een week over zodat Alfred toch op zee kon. Alfred en Willem vertrokken vanuit Cuxhaven met vertraging en voeren vanaf dinsdag 18 november uit.

In Dublin verbleven Buitjes en zijn vrouw in de omgeving van de Wicklow Mountains en bezochten de vissershaven Howth, thuishaven van de D 379 ‘Eblana’ van John Lynch, die tegenwoordig vooral bestuurlijk actief is als Chief Executive van de Irish South- and Eastcoast Fish Producers Organisation. John was wegens vergaderingen niet aan boord; zijn zoon Conor en visser Gerard Caulfield gaven uitleg over de praktijk. Zij schetsten zorgen over krappe Ierse quota en waarschuwden dat 2026 problematisch kan worden als beleid niet wijzigt. Soorten zoals blonde rog zijn nagenoeg verdwenen uit de Ierse zee, naar verluidt door visserij uit Zeebrugge; heek, schelvis en in de zomer Noorse kreeftjes zijn nu belangrijker.

Technisch is er ook ontwikkeling: de twinrig wordt nog gebruikt, maar men stapte over op knooploos net met vierkante mazen in de staart. Die mazen blijven tijdens het slepen open, wat de weerstand verlaagt, brandstof bespaart en kleine vis beter kan ontsnappen — wat de vangst gemiddeld groter en kwalitatief beter maakt, maar niet voldoende winst oplevert om de omslag financieel aantrekkelijk te noemen. Een andere grote zorg is de geplande uitrol van windparken op zee, vooral in de Ierse Zee; vissers voelen zich onvoldoende betrokken bij de planning en vrezen verlies van visrijke gronden.

Cultureel was de trip een succes: het paar genoot van lokale gerechten, een drukbezocht concert van The Tumbling Paddies (waarbij ‘Fisherman’s Blues’ indruk maakte) en van het samen kijken naar de rugbywedstrijd in een pub met John Lynch. Na de wedstrijd vierde men de overwinning van de Springboks met een extra pint.

Terug thuis nam Buitjes direct deel aan de visweek met Alfred. Zij schutten bij eb richting Hever en Schmalltief en trokken meerdere keren netten: aanvankelijk veel zeegras en kelp, later enkele goede trekkingen bij het Rütergat (6–7 kisten) en uiteindelijk een totaal van 100 kisten garnalen na de laatste trek zuid-in richting de Elbe. Het weer draaide daarna om en ze maakten net op tijd vloed om Cuxhaven binnen te lopen. Na lossing en het bijvullen van gasolie werden motoren en netten onderhouden; oude filters en olie werden weggegooid en de boot klaargemaakt voor de volgende tochten.

Terugkerend beeld is melancholie over het langzaam verdwijnen van vertrouwde garnalenkotters en collega’s die stoppen; havens worden leger en bekende schepen raken herinneringen. Tegelijk toont Buitjes een toekomstgericht optimisme via zijn kleinzoon Thijs, die zijn zakgeld spaart “voor een nieuwe kotter, iets als de WR 12” — een teken dat de vissersmentaliteit doorgaat in volgende generaties.