Kokkelvisserij, uit het plakboek van Hessel Tot
In dit artikel:
Nico Laros, voormalig opziener uit Harlingen, belicht in de tweede aflevering van zijn reeks over de kokkelvisserij het complete traject van zaadval tot blikje. Tijdens een vaartocht op jaagschip HA 73 kwam een plakboek en het levensverhaal van de overleden kokkelvisser Hessel Tot (1930–2021) ter sprake, opgeschreven door zijn kinderen Klaas en Tineke Tot om de kennis voor de toekomst te bewaren. Tot voer tot zijn 84ste en zijn familiepraktijk illustreert hoe de visserij in de Waddenzee zich door decennia ontwikkelde.
Traditionele handkokkeling: zoeken bij laagwater
Traditioneel begonnen vissers bij laagwater met het zoeken naar een bevisbaar veld. Met lieslaarzen en een volgbootje werkten handkokkelvissers vanaf de hoogste punten van het veld met de zogeheten “wonderklauw” — een hark met lange tanden en een net. Een vol net leverde ongeveer 2,5 mandje op; tijdens een tij werden vaak rond de 150 mandjes gehaald. Het gewicht per verzendmand lag rond de 22 kilo. Oogst werd deels op het schip gekookt, later aan de wal; voor de verse handel naar bijvoorbeeld Engeland werden levende kokkels in jutezakken vervoerd.
Mechanisering: klap-kor en zuigkor
Later werden mechanische hulpmiddelen ontwikkeld. De klap-kor maakte vissen mogelijk met het tij hoger op het water: twee uur voor hoogwater werd de kor ingezet, elk trekkend zo’n 10–15 minuten, tot circa 1,5 uur na hoogwater. De kokkels werden daarna door een verwerkend schip gekookt en ofwel in zout in manden of in zuur in blikken bewaard. Naarmate de vloot groeide − met schepen als HA 66–69 − kwam er een vaste logistiek: meerdere visschepen en aparte transportschepen die dagelijks oogst naar de wal brachten, waar later ook diepvriesverwerking plaatsvond. De afzet verschuift de afgelopen decennia van Engeland naar Spanje.
Einde van ondiep mechanisch vissen en reflectie
Na de klap-kor volgde nog de zuigkor, maar de zeer efficiënte, ondiep werkende mechanische visserij is in 2005 door hogere autoriteiten beëindigd vanwege de kwetsbaarheid van de Waddenzee als natuurgebied. Laros suggereert dat in zo’n beschermd gebied de handmatige wonderklauw beter thuishoort dan grootschalige mechanische methoden.
De bijdrage van Tot en de foto’s geven een praktisch en historisch beeld van ritme, techniek en markt rondom de kokkel — een ambacht dat zich aanpaste aan technologische ontwikkelingen en tegelijk onder druk kwam te staan door natuur- en beleidsoverwegingen.