Platvisvisserij op de Noordzee met zeilende schepen in de 19e eeuw

zaterdag, 3 januari 2026 (09:10) - Visserijnieuws.nl

In dit artikel:

Adriaan Rijnsdorp en Frans Veenstra presenteren de eerste uitkomsten van hun onderzoek naar de platvisvisserij in de Noordzee tijdens de 19e eeuw, toen zeilschepen met de boomkor op grote schaal in opkomst waren en later geleidelijk werden verdrongen door stoomtrawlers. Hun studie combineert historische bronnen, scheepsgegevens en modelberekeningen (hydrodynamica, windmodellen) om te schatten waar, hoe intensief en met welke gevolgen er toen werd gevist.

Ontwikkeling en techniek
- In de 19e eeuw groeide de bodemtrawlvisserij van lokale, kustgebonden visserijen naar een internationaal bedrijvige vloot. In de hoogtijdagen rond het eind van de eeuw waren er enkele duizenden zeilschepen actief (in piekperioden zo’n 2.000 Engelse smacks; in totaal in sommige decennia tot ~3.000 zeilschepen met boomkor).
- Typische schepen: Engelse smacks, Duitse evers, Belgische sloepen, Nederlandse schokkers, bomschuiten en botters. De boomkor was relatief licht in vergelijking met moderne tuigage; men gebruikte onder meer verzwaarde grondpezen maar geen moderne wekkerkettingen.
- Zeiltrawlers waren afhankelijk van wind en tij: zeilen met gemiddeld ~2 knopen (en minimaal windkracht ~4 Bft nodig om te kunnen trawlen). Trektijd stemde op het tij af (trekken van zo’n 5–6 uur) en doorgaans maximaal twee trekkingen per etmaal mogelijk. Stoomtrawlers konden veel sneller en langer vissen (eerste types ca. 2,5–3 knopen en tot ~16 uur per etmaal), en maakten overschakeling naar bredere bordentrauwen mogelijk.

Ruimtegebruik en intensiteit
- De onderzoekers schatten het totaal beviste oppervlak en de visserijintensiteit door de 19e en vroege 20e eeuw. Voor de internationale vloot: totaal beviste oppervlakte nam toe van circa 43.000 km2 (1830) naar 209.000 km2 (1880) en 455.000 km2 (1910). De unieke beviste visgronden groeiden van ~62.000 km2 (1830) naar 134.000 km2 (1880) en 227.000 km2 (1910).
- Gemiddelde bevissingsintensiteit (aantal beviste keren per jaar) steeg van ~0,7 in 1830 via 1,6 in 1880 naar ~2,0 in 1910. Het aandeel van de Noordzeebodem (tot 200 m) dat bevisbaar werd bevist nam toe van ~11% in 1830 tot ~41% in 1910.
- Ter vergelijking: in 2010 bedroeg de totale inspanning nog eens ~42% meer dan in 1910, maar omdat het voetafdrukgebied sindsdien sterk is toegenomen, bleef de gemiddelde intensiteit gelijkmatig; de actuele voetafdruk van bodemtrawling besloeg toen ~94% van de zeebodem.

Economische en ecologische gevolgen
- De schaalvergroting en uitbreiding naar verder op zee gelegen visgronden leidden tot klachten van kustvissers over afnemende vangsten. Die zorgen en de internationale dimensie van de kwestie droegen bij aan institutionele reacties: onder andere de oprichting van de ICES in 1902 voor onderzoek en advies over de zeeën.
- Technische vernieuwing (stoom, rollers, bordentrawl) maakte eerder onbereikbare of moeilijk bevisbare bodems toegankelijk, wat de druk op bestanden en op de zeebodem vergrootte.

Methoden en beperkingen
- De auteurs benadrukken dat hun kwantitatieve resultaten grove schattingen zijn — veel historische informatie is anekdotisch — maar dat de algemene patronen (grote toename van vloot en inspanning, verschil tussen zeil- en stoomschepen) robuust lijken. Modellen voor windafhankelijke zeildagen komen grotendeels overeen met zeeliedenverslagen uit de tijd.

Toepassing
- De bevindingen leveren context voor vragen als of schol en andere platvissen al vóór de grootschalige mechanisering in de 20e eeuw overbevist waren en geven een basis voor onderzoek naar historische effecten van bodemvisserij op de zeebodem en visbestanden.